Zalig zij die niet zien - maar geloven
En dan geloof ik ook nog. Ik geloof in een God die mensen beter kan maken, maar mijn moeder niet genas. Soms heeft dat me boos gemaakt. Vreselijk boos gemaakt. Toen mama kanker kreeg en in het ziekenhuis van de pijn bijna verging - het was begin 2022 - zocht ik haar op. Vanaf het moment dat ik haar in het ziekenhuis zag liggen, besefte ik dat alles anders was geworden. En daar: woede. Ik heb thuis de boeken uit mijn boekenkast door mijn slaapkamertje gesmeten. En geweigerd om ooit nog een Bijbelverhaal te vertellen.
Maar God bleef. De maanden erna ging Hij niet zomaar weg. Ik bad niet veel in die periode. Of, nou ja, ik bad op een andere manier. Ikzelf werd een gebed. Een gebed dat alsmaar vroeg: "Maakt U mama weer beter, God?" Eerst leek het erop dat mijn gebed werd verhoord. Totdat mama weer ziek werd en de artsen zeiden dat ze niet meer beter worden zou. Vanaf toen begon ik te houden van preken over zonde - en de gevolgen van de zonde - en onze schuld die ervoor gezorgd heeft dat er zonde kwam - en dat we tot onze laatste snik zullen lijden onder de zonde. Ja, ja, amen! Dat is tenminste waarheid. Dat zie ik nu onder mijn eigen ogen gebeuren. En pak de zakdoeken er inderdaad allemaal maar bij jongens. Het leven hier is slechts een tranendal. Zo dacht ik. En dat halleluja-geloof, waarbij het leek alsof met Goede Vrijdag ook alle ziektes en pijn en problemen voorgoed gekruisigd waren, dat blije handgeklap en al die massale handopleggingen waarbij genezing over je werd uitgeroepen, daar kon ik niet aan meedoen. Niet meer. Dat grote geloof wat ooit ook mij vervulde, ruilde ik in voor een voorzichtiger geloof. Een geloof dat minder snel zijn mond opentrok om een standpunt in te nemen en meer op de tast ging.
Ik vind het moeilijk om erover te schrijven, maar ik doe het toch. Want dit is het eerlijke verhaal. Wat ik niet had verwacht, gebeurde: ik kon soms niet meer zingen. Ik bewoog mijn lippen niet meer zo makkelijk als we "Omdat Hij leeft, ben ik niet bang voor morgen" zongen. Om nog maar niet te spreken van: "k Zal mijn hart, wat mij moog treffen, tot de God mijns levens heffen". Daar zing je nog al wat. En dan de liederen: "Wat God doet, dat is welgedaan" of "Gods is getrouw Zijn plannen falen niet". Dat kon ik niet meer zomaar zingen. Niet zolang ik mijn moeder zag hangen boven een bak, kokhalzend, brakend. Niet zolang ik haar ooit zo prachtige zangstem hoorde veranderen in een iel, breekbaar stemmetje. Niet zolang ik mama's wangen kuste en voelde hoe erg die wangen waren ingevallen. Niet zolang de mondhoeken van mijn moeder keer op keer vertrokken, niet zolang ik haar hoorde kreunen, niet zolang ze zei dat lachen zeer deed of zolang haar doodsvijand als een gek tekeer ging in haar lijf. Soms keek ik wel eens in de kerk om mij heen en dan zag ik iedereen onverstoorbaar meezingen met zulke liederen. Dan dacht ik: besef je wel wat je zingt? Wat nou als ik mijn moeder meesleep en ik haar onder je ogen zet? Of, sterker nog, wat nou als ik jouw moeder ziek maak? Wat nou als ik jouw moeder zo laat schrikken van de pijn dat ze niet meer rustig in slaap kan vallen? Wat nou als ik jouw moeders wangen wit verf en haar been eraf hak, zou je dan nog steeds zo onverstoorbaar gedachteloos kunnen meezingen?
Op een avond las ik uit psalm 131. Mijn ziel is in mij als een kind dat de borst ontwend is. Ik zag het voor me (ja hallo beelddenker). Een jongetje van een jaar of drie. Een jongetje dat altijd volop genoot van de nabijheid van zijn moeder tijdens de borstvoeding. En op een keer zegt de moeder: "Ja jongen, dit is de laatste keer dat je kan drinken aan mijn borst." Ik zie het jongetje kijken, een vragende blik staat in zijn ogen. Alsof hij zeggen wil: "Waarom mama? Ik heb toch niets verkeerd gedaan? Het is toch altijd fijn om zo dicht bij elkaar te zijn?" Maar het jongetje schreeuwt niet. Hij slaat niet met zijn kleine kindervuist tegen zijn moeders kin. Hij legt zich erbij neer. Want hij weet, diep van binnen: 'Mama heeft het beste met me voor. En al begrijp ik haar niet, toch vertrouw ik haar.' En terwijl ik psalm 131 voor mijn ogen tot leven zag komen, dacht ik: zo wil ik zijn. Precies zoals dat kind. Ik stop met vragen stellen. Ik stop met waarom roepen. Stop met bedenken waartoe. Ik leg me erbij neer. Want als ik vragen stel, krijg ik toch nooit antwoord. En al begrijp ik Gods plan niet, ik weet: Hij heeft het beste met mij voor. Zo probeerde ik sindsdien te leven.
Maar weken later, toen mama's wangen witter waren geworden, haar ogen doffer, haar gedachten warrig- toen heb ik toch weer met mijn handen gebald naar de hemel gestaan. Toen heb ik het nog één keer uitgeroepen, als een laatste protest, want ik weigerde dit alles zomaar te accepteren. Ik kón het niet accepteren. Ik hield te veel van mama om me zomaar bij de hele situatie neer te leggen. Er was er Eén die mama's ziekte weg kon nemen. Maar waar was Hij? Waarom greep Hij niet in? Kon Hij soms wel gewoon aanzien wat ik niet langer aan kon zien? Die dag sloeg ik gaten in muren en harten van boosheid. Ik sloeg en sloeg en sloeg. Toen was ik op. En terwijl ik uitgeput neerzakte op mijn bed, en mijn boosheid plaatsmaakte voor stille bitterheid, kreeg ik een appje. Van mijn zus. Een filmpje van de serie 'The Chosen'. Ik keek. En dat filmpje heeft mijn leven compleet veranderd. (En ja ik weet dat er in onze refo-kringen ophef is over de serie, en ik weet dat het filmpje is verzonnen, en niet in de Bijbel zelf voorkomt blablabla. Maar ik kan er niets aan doen: voor míj persoonlijk leek het filmpje rechtstreeks als een geschenk uit de hemel te komen. Soms moet je daar maar gewoon even steun uit halen denk ik.)
In het filmpje praat little James met de Heere Jezus. Little James is in de serie één van de 70 apostelen die uitgezonden werd om zieken te genezen, duivelen uit te werpen en het evangelie te verkondigen. En hij was kreupel. "Heere Jezus… mag ik u toch wat vragen?" Vroeg little James aarzelend. "U hebt mij de macht gegeven om anderen te genezen… maar zelf ben ik nog steeds kreupel. Ik vroeg me af waarom. U kunt me toch beter maken?" "Dat kan Ik", antwoordde Jezus. "Precies ", zei little James, een hoopvolle schittering lag in zijn ogen. "En dat zou toch een prachtig getuigenis zijn? Dan kan ik aan alle mensen die ik tegenkom vertellen dat ik door U ben genezen. Daardoor zouden velen tot geloof komen." Jezus keek hem liefdevol aan en zei: "Het zou zeker een prachtig getuigenis zijn. Maar er zijn al duizenden mensen die dat getuigenis kunnen delen. Jij, little James, jij hebt een veel unieker getuigenis. Jij kan vertellen dat je niet genezen bent… en tóch in Mij blijft geloven. Denk je eens in. Wat voor een getuigenis gaat daar van uit! Niets zien - en toch geloven." Het filmpje zette me aan het denken. Misschien, ja heel misschien, had God met mama hetzelfde plan als dat Hij in het filmpje had met little James. Misschien overkwam dit alles ons enkel en alleen maar om te blijven getuigen naar de wereld toe. Om te laten zien dat we ons geloof niet opgeven. Misschien weet God dat we veel sterker zijn dan we durven geloven en dat we er niet aan onderdoor zullen gaan. Die simpele gedachte hield me overeind. Ze houdt me overeind. Nog steeds.
En toch geloof ik rotsvast in Uw leiding
(al zie ik het 'waarom' der dingen niet)
bij elk ontmoeten en bij elke scheiding,
bij elke vreugde en bij elk verdriet.
En ik geloof onwrikbaar in Uw liefde
die altijd als het zonlicht om mij stond;
ook dan, wanneer ik was als een gekliefde,
een trotse boom, ontworteld op de grond.
En ik geloof, dat hoe ik ook mocht falen,
(al dacht ik zelf, dat ik het goede deed)
dat Gij mijn schuld, hoe groot ook, wilt betalen
met het lijden, dat Gij eens op aarde leed.
Ja, ik geloof dat Gij Uw licht laat schijnen,
dat Gij na droefheid, vreugde hebt bereid
voor groten in 't geloof én voor de kleinen...
Heer, help mij in mijn ongelovigheid!
(Nel Benschop)
(Een gedicht uit één van mama's dichtbundels)